Meditatief moment september
God bestaat niet, maar is er wel
De kern van Jezus verkondiging was ‘het Koninkrijk van God’ of ‘het Koninkrijk der hemelen’. Nadat Hij bij zijn doop in de Jordaan diep door God geraakt werd, ging Hij overal het nieuws van het Koninkrijk van God verkondigen. En Hij benadrukte daarbij vooral: ‘Zoekt allereerst het Koninkrijk van God en Zijn bewaring, en alles zal jullie erbij gegeven worden.’ (Mat. 6,33)
Het koninkrijk van God staat voor God zelf. Vanwege de heiligheid van Gods Naam werd de naam Jahwe, ofwel: Ik ben met jullie, vaak niet uitgesproken. Jezus riep de mensen dus op om op de eerste plaats steeds God zelf te zoeken. Want de mensen leefden in zijn ogen vooral bezorgd om zichzelf: wat ze zouden eten en drinken, hoe ze zich zouden kleden, enz.
Maar zo levend vergaten zij het belangrijkste: de Bron van al wat is, was en zal zijn. Zo levend keerden zij zich onbewust en ongewild af van hun Levensbron, die zélf niet ‘iets’ van dat alles is wat Hij geeft, en zélf nergens mee samenvalt. Hijzelf maakt geen deel uit van alle dingen, maar omvat alles: ‘In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij’. Buiten God is niets.
Dus alles wat er nu voor ons bestaat, alles wat voor ons waarneembaar of voorstelbaar is, alles wat wij toe-eigenen, materieel en geestelijk - dat alles wat wij allemaal dagelijks zoeken en wat ons bezighoudt, dat is niet God zelf. Jezus raadt ons aan ons daaraan niet te hechten: ‘Zoekt allereerst God zelf, en alles zal jullie erbij gegeven worden.’
Leef niet ‘zorgelijk’, zegt Hij, want ‘God weet wat je nodig hebt’. Al het nodige zal Hij bij jouw zoeken naar Hem aan je geven. Wij zullen dan rijker zijn als voorheen, want als wij God zelf gaan zoeken, zullen wij gaan inzien dat alles ons door Hem gegeven wordt met Hemzelf erbij.
Hij is immers de schenker, maar niet de inhoud; Hij is de zaaier maar niet het zaad; Hij is de schat in de akker, niet de aarde. Hij schenkt zich niet alleen in véél talenten, maar geeft zich ook geheel in dat éne talent. Vergelijk dus niet, begraaf Hem niet, maar vertrouw je aan Hem toe, en hecht je niet aan wat geschapen is.
Alles wat ons dagelijks bezighoudt en zoeken is immers niet God zelf, die zich als een iets of iemand tussen de dingen zou bevinden. Maar alles verwijst wel naar Hem als de Gever ervan. Dus als we allereerst en altijd als eerste Hemzelf zoeken, ontvangen we Hemzelf en met Hem alles wat ons op onze weg gegeven wordt.
Maar wáár zoek je dan God als Hij niet samenvalt bij wat Hij ons geeft? Jezus wijst ons deze weg als Hij zegt: ‘Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze. En men kan niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in jullie.’ (Lucas 17,21)
Zie, God is ín ieder van ons; ín ons schenkt Hij zichzelf en moeten we Hem zoeken. Maar dat is vreemd. Wij zijn immers toch óók geschapen en maken óók deel uit van alles wat God geeft en waarin en waarbij Hij niet waarneembaar is! Hoe kunnen we Hem dan zoeken?
Hoewel God niet waarneembaar of begrijpbaar is en niet bestaat als ‘iets’ of ‘iemand’ binnen in of buiten ons, ís Hij er wel in de ervaring van mensen. Hij doet ons soms aan als wij Hem zoeken. Niet altijd en op ons commando, maar op zijn eigen tijd en wijze.
Etty Hillesum, een joodse vrouw die in de 2e wereldoorlog een dagboek begon om haar onrustige en bedreigde leven op orde te krijgen, schreef over haar ervaringen met God:
‘Het zijn bange tijden, mijn God… Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.’
‘Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.’
‘Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden. Ik stel me voor, dat er mensen zijn, die bidden met hun ogen naar de hemel geheven. Die zoeken God buiten zich. Er zijn ook mensen, die het hoofd diep buigen en in de handen verbergen, ik denk, dat die God binnen in zich zoeken.’
‘Het innerlijk centrum waaruit m'n leven geregeerd wordt, wordt steeds krachtiger en middelpuntiger. De vele tegenstrijdige indrukken van buiten verdragen zich alle wonderwel met elkaar.
De innerlijke ruimte kan steeds meer omvatten en de vele tegenstrijdigheden benemen elkaar niet meer het leven, ze leven elkaar ook niet meer in de weg.’
‘Ik vind, God, dat ik goed met je samenwerk, dat wij goed samen werken. Ik geef je een steeds grotere ruimte om in te wonen en ik begin je ook trouw te worden.’
‘Men moet de weg tot jou in de anderen vrij maken, mijn God en daarvoor moet men een groot kenner van het menselijke gemoed zijn. En ik dank je, dat je me het talent gegeven hebt in anderen te kunnen lezen en de weg te vinden in anderen. Mensen zijn soms net voor me als huizen. En ieder huis zou men moeten maken tot een gewijde woning voor jou mijn God. En ik beloof je, ik beloof je, ik zal in zoveel mogelijk huizen woning en onderdak zoeken voor jou, mijn God. Ik ga onderdak voor je zoeken. Er zijn zoveel leegstaande huizen.’
Vlak voor deportatie naar Auschwitz waar zij vermoord wordt, schrijft zij in kamp Westerbork:
‘Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samen spraak. Wanneer ik sta, in een hoekje van het kamp, mijn voeten geplant op jouw aarde, het gezicht verheven naar jouw hemel, dan lopen me soms de tranen over het gezicht, geboren uit een innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, die zich een uitweg zoekt. Ook 's avonds, wanneer ik in m'n bed lig en rust in jou, mijn God, lopen me soms de dankbaarheidstranen over het gezicht en dat is dan míjn gebed.’
Leon Teubner