Zij waait vanwaar en waarheen zij wil …
Zij waait vanwaar en waarheen zij wil …
Zo vlak na Pinksteren is het goed om wat nader stil te staan bij de betekenis van de gave van de Geest. De eerste keer dat er in de Bijbel gesproken wordt over de Geest van God is in het boek Genesis. In de tweede zin staat er al: ‘Gods Geest zweefde over de wateren.’ Letterlijker vertaald staat er: ‘Gods Ademtocht’, met nadruk op tocht, op beweging, op leven.
Voor ons echter roept het woord Geest wellicht iets anders op, dan wat daar staat.
Wij denken vaak snel aan iets abstracts, iets ongrijpbaars, wellicht ook aan zoiets als: ‘in de geest van …’ - aan iets dus. De Geest van God is dan zoiets als een concept of ding of persoon of eigenschap. Maar God is niets van dat alles. God is onbenoembaar, onvatbaar, onbegrijpelijk, niet-iets. Gods Geest kunnen we daarom misschien het beste duiden als Geestkracht, als ‘werkzame dynamiek.’
Wij nemen Haar enkel waar in haar werkingen: in de schepping, die materieel en geestelijk is.
Materieel - daarvan getuigt Genesis in de eerste hoofdstukken - schept Gods Geest alles wat is, was en zal zijn. Zo maakt Hij ook de mens van aardestof en water. Maar de mens wordt pas een levend wezen als hem de levensadem door God wordt ingeblazen.
En de mens wordt door Gods Geest (ademtocht) niet alleen fysiek bezield, maar ook ‘geestelijk’.
Dat fysieke bezield worden slaan we in ons geloof vaak veel te snel over, waardoor dat begrip Geest ook zo abstract op ons overkomt. Maar precies dát wij leven, dát wij ademen, dát wij er zijn, getuigt al van Gods Geest, van haar werkzame aanwezigheid.
Zonder haar bezieling, zonder haar Adem-tocht in en door ons heen, leven wij niet.
Daarvan getuigt zo mooi Ps 104: ‘Ontneemt Gij hun de adem, het is met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof.’
Zo is de Geest van God altijd met ons, zolang wij leven, bewegen en zijn – en in Wie wij leven, bewegen, en zijn. In de Geest van God nu zijn God en alle mensen en al wat is, één. Maar wat Gods Geest in ons wil bewerken is niet ‘iets’, is niet ‘dit of dat’, ‘zus of zo,’ een of ander te begrijpen plan; eerst en vooral wil Zijzelf tot gestalte komen in haar schepping. Hoe? Dat is enkel aan Haar en niet aan ons. Zij waait immers waarheen en zoals Zij wil.
Dat vraagt van ons dat wij haar niet hinderen in onze eigenwilligheid en eigenmachtigheid.
Dat vraagt van ons om een blind geloof in Gods werkzame aanwezigheid - van onze allereerste Ademhaling tot aan onze laatste.
Dat vraagt van ons om een blind toevertrouwen in zijn Naam: IK BEN met jou - hoe dan ook, altijd al en overal! Dat is Jezus van Nazareth navolgen in het blind toevertrouwen aan zijn Vader die ook onze Vader is – de eeuwige Oorsprong en Drager van al wat is, was en zal zijn. Dat wij met Haar meebewegen, dansend als veertjes op de tocht van zijn Adem (Joh. 3:8).
Leon Teubner